Publicaties/Publications
De rubriek Publicaties geeft een overzicht van artikelen en interviews door Martin Pot
interview Piet Oskam 13-03-2012
Sedert decennia vindt er discussie plaats over de bouwpraktijk in ons land, m.n. daar waar het gaat over woningbouw. Onderzoekers zoals Habraken (1960 e.v.) en Leupen (2002) pleitten voor een fundamenteel andere wijze van woningbouw, vanuit meer standaardisatie en daarmee meer vrijheid voor de bewoner. Eveneens sedert decennia blijkt dit een weerbarstige materie; innovatie komt slechts moeizaam tot stand binnen een bouwwereld die gefocust is op een bouwproces en in beduidend mindere mate op de uiteindelijke gebruiker.
hybridLiving interviewde uitvoerig Piet Oskam. Directeur van het CIB, het Centrum Innovatie Bouwkolom, en vroeg hem naar oorzaak en gevolg; en vanzelfsprekend naar oplossingen.
MP: de huidige bouwpraktijk wordt gevormd door de keten; als we er van uitgaan dat er nu te weinig voortgang is, m.n. in de woningbouw, hoe dit te doorbreken?
PO: ieder voortbrengingsproces vindt plaats in een keten; veel hiervan is gericht op het toevoegen van goederen en diensten, nuttige dingen; en richten zich vaak op de eindgebruiker. De klant is de centrale focus in de bouwsector; ook hier is sprake van keten met meer schakels. Deze is echter niet erg gevoelig voor klantvraag; de eindgebruiker moet veel sterker worden. Waarom: omdat de huidige bouwpraktijk en werkwijze leidt tot faalkosten , tekortkomingen; de klant is dus niet tevreden met de kwaliteit van het gebodene. Een ander punt is dat de keten overbodige kosten geeft; dus leidt tot prijsopdrijving. De bouwpraktijk kan beter en sneller; of het snel genoeg gaat; verbeteren komt nooit snel genoeg. Soms is het goede de vijand van het betere; men vindt het in het algemeen goed genoeg, omdat alle partijen in de keten nog voldoende geld verdienen om hun bestaansrecht veilig te stellen. Er is geen directe noodzaak voor een verbeterslag, men blijft dus doen wat men altijd gedaan heeft en krijgt dus ook wat men altijd gekregen heeft.
MP: dat impliceert dus te weinig focus op de klant?
PO: Klantgerichtheid ontbreekt nog veel te vaak! Het bouwproces heeft een complex karakter, is technisch georiënteerd, productgericht. Het gaat om het product, minder om proces en service. Het is ook een kwestie van aansprakelijkheid; alle schakels zitten in elkaars greep, in een aanneemhouding, laten niet toe dat een ander 'spart' met de klant. De aanbodgerichtheid is groot; product-denken staat centraal, de techniek domineert. Het moet gaan om vraagsturing, proces, service; de bouwsector moet een dienstensector worden. Dat heeft veel consequenties voor alle partijen die in de bouwsector een rol vervullen. De productleverancier moet kennisgerichte dienst worden; dat vraagt veel van de huidige praktijk, die competenties hebben ze niet, dus is de bouwsector gedoemd alles bij het oude te houden. vernieuwing vat nauwelijks post, maar er is wel een groep architecten, bouwers en installateurs die het wel snapt, elkaar nodig hebben en elkaar moeten vinden.
MP.: omdat het gaat zoals het gaat ligt er druk op kosten, op de realisatie, waardoor ambachtelijkheid enigszins verloren gaat. Het werk van de gemiddelde timmerman, tegelzetter of stukadoor is in de doorsnee woningbouw minimaal.
PO: Noem eens een sector waar het ambacht nog wel centraal staat? We melken ook de koeien niet meer met de hand. De bouwsector moet industrialisatie in het bouwproces accepteren, dus meer plannen, stroomlijnen, met een betere overbrugging in de schakels. De vraag is; wie krijgt de regie? Met meer industriele flexibiliteit kan er ook meer aandacht voor de klant zijn; vernieuwing komt te weinig uit de bestaande bouwpraktijk; bouwers blijven bouwen zoals ze dat altijd gedaan hebben. Vernieuwing komt vaak van de techniek, de leveranciers en toeleveranciers; alleen staan bouwers hiervoor niet open. Ik krijg vaak de vraag: wat moet er dan gebeuren? Maar er moet niets, het is een keuze: of alles bij het oude laten of vernieuwen; men moet de eigen positie bepalen.
MP: maar men is wel werkzaam in het meest elementaire wat een ieder heeft: een huis. Als de bouwsector daar anders mee omgaat geeft men eerder de verantwoordelijkheid aan de bewoner, eerder in het bouwproces en niet later.
PO: Dit is een terrein van veel gemiste kansen. De bouwsector laat het liggen omdat men de ruimte krijgt om de ouderwetse praktijk vast te houden; men cultiveert de bestaande aanpak zolang dat werkt, veranderen is moeilijk, zeker als het over de mensen zelf gaat. Wonen en daarmee bouwen zijn hele primaire levenscondities, net als een baan, een levenspartner; het zijn 'events of life'. Daarin moet je je verdiepen, daar moet je aandacht voor vragen van woonconsumenten, hun woonwensen centraal stellen, meerwaarde genereren; dan kun je ook meer verdienen. Maar zo wordt er niet gedacht; dus het blijft onderbelicht en onbenut. Als het gaat over de hoeveelheid woningen; dat is m.n. een kwantitatieve discussie; welk soort, welk segment; daar is weinig over bekend. De TU Twente doet nu onderzoek naar woonwensen; het blijkt vaak niet meer dan een dak boven het hoofd en een sleutel voor de voordeur. Woonwensen krijg je pas als je meer bestedingsruimte hebt.
MP: wanneer je mensen vraagt keuzes te maken t.a.v. zaken waarin men vrijwel nooit een keuze heeft gehad kun je het hen moeilijk kwalijk nemen als ze dat niet kunnen verwoorden.
PO: de technische opties blijven onbenut zolang men deze niet kent en er niet mee vertrouwd is. Zie domotica: het gemak dient de mens; maar de mens ziet techniek eerder als een bedreiging dan als een kans. T.a.v. de bouw zie ik 2 zaken: er is intelligente techniek, dat geeft een smart building. Daarnaast is er 'building smart'; er zou een kruispunt moeten komen waar beiden elkaar raken. Intelligente gebouwen moeten worden gerealiseerd door intelligente marktpartijen; in alle fasen van het bouwproces: ontwikkelingsfase, contractfase, uitvoerende fase, opleverfase; maar belangrijk: ook de gebruiksfase. Dat hebben we, als bouwsector, volstrekt laten liggen. We hebben van de oplevering het hoogtepunt gemaakt, we vertrekken en laten het verder over aan de bewoner. Dat kan, denk ik, niet meer; je blijft als bouwer betrokken bij de gebruiksfase, van je product, zoals je ook soms in het geval van je auto terugkeert voor een servicebeurt. Waarom laat de bouw dat liggen; omdat men bang is voor aansprakelijkheid. Het heeft echter een keerzijde: een eerste verbouwing kan beter als er een goede relatie met de eigenaar is. Woningbouw wordt dan een andere wereld; de crisis helpt mee, maar of het snel genoeg gaat? Waarom moet het snel; het geeft ook ruimte voor reflectie en bezinning.
MP: wanneer het gaat om multifunctioneel bouwen: mensen als Habraken en Leupen; er wordt al zolang gepraat maar er gebeurt weinig. Zij pleiten ook al jaren voor basaler bouwen, flexibeler, meer opties voor herindeling. De rol van de bouwer verschuift dan naar het bouwen van basisvoorzieningen; de afbouw ligt op een ander vlak.
PO: er zijn wel voorbeelden, het komt wel van de grond. Er zijn flexibele concepten waar de huurder een casco huurt en er zelf iets van maakt. Er zijn corporaties die alleen woningen willen die aanpasbaar zijn; de demografische ontwikkeling voorziet in 20 jaar, daarna veranderd de vraag. Je moet dus met lagere kosten die vraag kunnen ondervangen. Je bouwt niet meer voor 50 jaar. Met conceptueel bouwen worden varianten aangeboden, maar dat staat haaks op de klassieke bouwpraktijk en kan alleen bestaan met een coalitie van bouwer en constructeur.
MP: hoe staat een thema als duurzaamheid hierin?
PO: duurzaamheid is een beetje uit aan het raken; het wordt vaak als etiket opgeplakt, het is een containerbegrip. Ik had recentelijk een discussie met 30 mensen uit de bouw en kreeg 30 definities van duurzaamheid; er is dus een grote mate van begripsvervuiling, net als overigens bij domotica en Internet of Things. Er moet een scherpe definitie worden gehanteerd anders verdwijnt het in het bouwproces. Er zijn teveel interpretaties en geen integrale oplossing; dus is er geen integraal proces, dus veel faalkosten. Bouwers onderschatten wat er bij wezenlijke verandering komt kijken.
MP: ook in het geval van innovatie?
PO: juist dan! Men heeft het altijd zo gedaan, de investering in kennis en kwaliteit is niet gedaan en dus gaat er veel fout, dus komen er veel misverstanden, die leiden tot geschillen en procedures. Ook vorig jaar weer meer, ondanks alle gesprekken over betere bouwprocessen neemt het aantal geschillen toe. Dat zit ook bij de klant: die heeft het altijd geaccepteerd. We kennen de klant niet, die wordt gezien als stoorzender en wordt niet meegenomen in et proces. Er moet regie zijn in de communicatie met de klant, het bouwproces moet gefaseerd, er moet een 'klantmoment' benoemd worden; dan wordt oplevering een feest zonder bouwgebreken.
MP: in het geval van veel andere producten accepteren we dat niet; het proces wordt teveel geaccepteerd?
PO: ja, we nemen teveel genoegen met het bestaande, het vertrouwde, , we zijn te weinig kritisch. De klassieke bouwcultuur heeft een aanneemhouding, de klant schiet tekort in het ventileren van eigen wensen en bouwprofessionals houden de klant dom. Maar daag die klant uit, kom te weten wat deze wil; dus meer aandacht voor de proceskant. Als bouwer moet je daarvoor de competenties in huis halen, maar vaker neemt men een kopersbegeleider in dienst. Die levert in feit een doekje voor het bloeden en toont: zo gaat dat in de bouw.
MP: het bouw- en realisatieproces wordt steeds digitaler; dat stopt nu bij oplevering. Hoe zou je dat beter kunnen integreren?
PO: het begint bij een integrale ontwerpopgave, bij de leveranciers van de techniek. Het gebeurt vaak niet omdat leveranciers gedwongen worden voor de laagste prijs te leveren. Er moet veel meer worden gezocht naar de beste oplossing: die heeft meerwaarde met een ander verdienmodel. Wonen zie je dan niet als bouwproduct maar als woonservice; toekomst kan dan het afrekenen per maand wooncomfort zijn. Vraag is dan wel: wie zit er aan de meterkast; als IoT dichterbij komt en onze woonwereld binnendringt, dan is de klassieke bouw geen relevante partij meer.
MP: recentelijk stond in Eigen Huis een artikel van architect Thomas Rau: we willen geen lampen maar licht, geen cv.-ketel maar warmte. Waarom alle aandacht op het product in plaats van op het resultaat?
PO: dan lever je dus woonservice; gebouw plus technische voorzieningen in het gebouw en die voorzieningen worden steeds belangrijker. Alles wordt vanaf 1 scherm geregeld. Bouwers hebben geen verstand van die techniek; dus techniek leveranciers zouden moeten afrekenen met de klant. IBM bijvoorbeeld heeft een programma dat de bouwwereld digitaliseert, de woning intelligenter maakt. Men gaat met de klant aan tafel; dus de bouwer verdwijnt uit beeld. Als de bouwsector nu niet wakker wordt is ze binnenkort helemaal niet meer relevant en gaat slechts uitvoeren.
MP: hoe creatief kan de bouwsector dan nog zijn in het aanbrengen van de randvoorwaarden. Als er bouwdatabase is gegenereerd kan die worden overgedragen aan de bewoner die daarmee verder kan. Als er een momentum komt waarop de bouwers het zich niet meer kunnen permitteren het anders te doen ontstaat wellicht echte verandering.
PO: je hebt het dan over 4-D; de bouwsector praat nog over van 1-D naar 2-D. Daarmee heeft men al veel moeite, zie BIM. Als het initiatief wordt genomen door de designer die 4-D al wel kent, dan wordt de bouw wellicht meegenomen.
MP: als het proces vernieuwend wordt binnen de woningbouw; tot welk moment wordt er dan gebouwd, waar neemt de bewoner het over? Waar ligt die grens volgens jou; na de ruwbouw?
PO: denk meer in verbindingen, niet in verschillen tussen ruwbouw en afbouw. De klant zal dat verschil worst zijn; alleen in ruwbouw kan die niet wonen. Er is pas een integrale oplossing als beide sectoren zijn verbonden; daarin moeten ontwerpmanagers opstaan die de klant centraal stellen en ruwbouw en afbouw in een hand krijgen. Je moet het wel productietechnisch scheiden; het een gebeurt ter plekke, het ander in de fabriek. De klant wil dat alles niet weten, die is alleen geïnteresseerd in complete oplossingen.
MP: maar waar begint de invloed van de klant? Ligt die na oplevering van de ruwbouw, gevels , dak?
PO: het begint al bij de initiatiefase, daar wordt 80% vastgelegd. Al in de ontwerpfase sparren met de klant, maar je moet wel het gehele proces kunnen overzien. Het succes van het resultaat wordt gemaakt in de ontwerpfase, daar worden de beslissingen genomen die bepalen of er een tevreden klant komt. Communicatie is het sleutelwoord in het proces tussen de bouwprofessional en de klant.
MP: dat gaat er nog steeds van uit dat er in verregaande mate voor de klant wordt ontworpen, i.p.v. in een eerder stadium , bijv. de ruwbouw, uit te stappen en de ambachtsman het proces te laten overnemen.
PO: maar dat wil de klant niet; die wil een oplossing voor zijn woonwensen. Ik snap dat de ruwbouw een andere opgave is dan de afbouw, maar in commerciële zin gaat het er juist om dat je beiden verbindt en dat de belevingscomponent daarbij centraal staat.
MP: maar de vraag is wie dat doet? Moet je de afbouw neerleggen binnen dezelfde keten die zorgt voor de ruwbouw? Of treedt er na de ruwbouw een ander proces in werking?
PO: in de conceptuele bouw bestaat 60-80% uit homogene, uniforme elementen. De differentiatie zit in de 20-40% van het gebouw, daar kan de klant voor kiezen. Zie de auto-industrie; de platforms van veel types zijn hetzelfde. De regie echter moet wel in een hand zijn; de klant wil met 1 partij te maken hebben. Niet een casco kopen bij de een en voor de afbouw met een ander om tafel moeten zitten. We hebben het ook teveel aan de makelaars overgelaten; het bouwen van de toekomst heeft een eigen loket naar de markt. Voor de makelaar is dan geen rol meer weggelegd; die zijn aanbodgericht.
MP: even m.b.t. de actualiteit: waar liggen nu de belemmeringen om het huidige proces te doorbreken? Ligt dat in de begrippenfase?
PO: meer in de competentiesfeer; er zijn investeringen nodig in kennis en kunde.
MP: is dan de bouwer de aangewezen persoon om met de klant te praten?
PO: de bouw loopt een grote kans ingehaald te worden door andere partijen die dat beter kunnen. Zie bv. de hovenier; een optie is de woning tegelijk met de tuin op te leveren, maar de bouwer vindt de hoveniers lastposten, de hoveniers vinden de bouwers uitknijpers. Er is natuurlijk ook een enorme industrialisatie geweest in de bouw; we zijn nu in een nieuwe fase waarin we meer oog willen hebben voor de klant. Het bouwproces is daarvoor niet ingericht, de bouwers moeten meer allianties vormen. De wereld van hybridLiving waarin jij als interieurarchitect nu bezig bent heeft de bouwwereld zich niet eigen gemaakt; men heeft gewerkt als aannemer en de aannemer kan niet samenwerken.
MP: m.b.t. de randvoorwaarden voor domotica en IoT; wat is dan het eerste wat de bouw moet faciliteren?
PO: allereerst de onderkenning van de ontwikkeling, openstaan voor samenwerken, al in de ontwerpfase integreren; dus intelligenter ontwerpen. Toestaan dat een ander het voor het zeggen krijgt, samenwerken.
MP: afsluitend: als we 3-5 jaar verder zijn: wat zijn dan de maatregelen die hybridLiving en Council zouden moeten initiëren om echt verder te komen?
PO: door de huidige crisis worden de ontwikkelingen in de komende jaren gedomineerd door kostenreductie, in dit geval van het wonen. Door een intelligentere woning kunnen de kostenelementen worden beheerst. Alles waardoor wonen duurder wordt, heeft geen bestaansrecht. Veel goedbedoelde plannen worden door de economische crisis ingehaald en veel van wat nu bestaat is binnenkort achterhaald. Daartussen ligt het speelveld van innovatieve partijen, die verbindingen leggen tussen de wensen van consumenten en de toenemende mogelijkheden van de techniek.
MP: dank voor dit gesprek.
++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++
Literatuur:
• Habraken, "de dragers en de mensen" , uitg. 1961 Scheltema
• Leupen, B, "Kader en generieke ruimte", uitg. 010, 2002.
• Well, M.van (red.) "Beter bouwen en bewonen", uitg. STT, nr.68, 2004.
• "De woningplattegrond, standaard en ideaal", uitg. Delft Architectural Studies on Housing, NAI-Publishers, 2010.
• "Towards a New Kind of Building", Kas Oosterhuis, uitg. NAI-Publishers, 2011.
nog geen reacties
interview Kas Oosterhuis 04-04-2011
Op vrijdag 18 maart 2011 werd in de Oostserre van de Faculteit Bouwkunde op de TU-Delft het nieuw boek van architect Kas Oosterhuis gepresenteerd: ´Towards a New Kind of Building´ (uitg. NAI-Publishers) Het werk van Oosterhuis, ook in zijn Hyperbody-lab en binnen zijn bureau ONL, is eigenlijk de eerste werkelijke integratie van technologie en architectuur.
Op zijn bureau in Rotterdam spreek ik enkele dagen daarvoor Kas Oosterhuis over zijn werk, boek en streven.
• MP: tijdens het lezen van uw boek moest ik met regelmaat denken aan het boek van Kevin Kelly: Out Of Control ; is er een logische link?
• KO: ik denk van wel, hoewel er vlgs. mij in het gehele boek geen architectuur voorkomt; hij redeneert vooral vanuit de biologie. Het idee daar zit vooral in de idee van gedistribueerde intelligentie; alles staat met elkaar in verbinding; zoals wij met onze 'brains' verbonden zijn met alle andere 'brains', niet alleen als mensen maar tevens als planten, dieren etc. Dat besef is veel belangrijker dan je zou kunnen vermoeden: als we dat besef zouden 'mappen' op de gebouwde omgeving betekent dat dat alle 'things' met elkaar verbonden zijn.
Daarmee kun je direct aan de slag, met als een van de gevolgen is dan - in de statische bouw - de 'non standard architecture' waarbij je een systeem opzet waarbij de kleinste deeltjes met elkaar communiceren, via knooppunten, regels voor organisatie volgen. Als je dat doorvoert naar interactieve architectuur, dus niet fixeren als statisch gebouw maar als werkend systeem, - niet als levend geheel: die referentie is me te biologisch . Maar de verwantschap is er wel; het zit in het basisgedrag van de kleinste deeltjes van de omgeving.
• MP: je creëert 'nodes', waarbij uiteindelijk dus subject object wordt?
• KO: ja; het is dan de paradigmaverschuiving naar interactieve architectuur; de informatie blijft stromen tussen
deeltjes en de omgeving van die deeltjes. Favoriete vergelijking is dan een zwerm vogels, een school vissen; het beeld van een zwerm individuele vogels in de lucht als een samenhangend geheel t.o.v. die op een powerline; door signalen van buitenaf wordt de interne organisatie geïnformeerd. Die beide beelden beschrijven heel goed wat onze architectuur is; het zijn top-down beslissingen die vormgeven aan het bottom-up systeem.
• MP: het is dus voorwaarden-scheppend?
• KO: als wij bv. een curve hebben dan worden alle individuele elementen naar die lijn getrokken
• MP: als we dan kijken naar de huidige situatie; dan moeten er nog wel de nodige randvoorwaarden worden geschapen?
• KO: ja; die kennen natuurlijk meerdere verschijningsvormen: klimatologisch, bouwbesluit, etc. Bouwbesluit waarden zijn parameters; ze moeten een parametrische relatie met je systeem hebben , ik heb daar geen problemen mee. Er zijn altijd regels; als ze er niet zijn dan bedenk ik ze zelf wel.
• MP: dat zijn wellicht regels van een ander orde?
• KO: niet echt; je moet erop zo' n manier mee werken dat ze onderdeel worden van je ontwerp, en dat kan, volgens mij prima. Ik heb daar geen moeite mee.
• MP: u pleit dus niet voor een soort integrale herziening van het Bouwbesluit? Als we alles met alles verbinden, kunnen registreren, etc; dan valt er nog wel e.e.a. te doen.
• KO: ja, maar dat gaat wel even duren: wij experimenteren op ons bureau met een digitaal Bouwvergunningsmodel, waar gemeentes direct op inloggen. Bv. breedtes van vluchtwegen zijn getallen die gekoppeld zijn aan objecten; die worden onderdeel van het systeem.
• MP: in het boek wordt gesteld: er is geen standaard meer; we maken wat op enig moment noodzakelijk is. dat zijn voor het Bouwbesluit andere parameters.
• KO: ok; maar dat noem ik dan geen deur meer; maar het is wel een vluchtweg. Je moet dus van die vaste terminologie van catalogusobjecten af:
• MP: dat wordt t.o.v. de regelgeving een lastige discussie.
• KO: ja, als ik iets een plafond of een wand noem zit het in een hok waar het nooit meer uit komt: maar het mag niet in dat hok zijn, het moet veeleer generiek beschreven worden. Je kunt er veel meer mee beschrijven dan de standaard-situaties. Leven in een 3-d wereld is meer dan het beschrijven van een 2-d sectie.
• MP: als we de discussie wat uitbreiden: ik moest ook regelmatig denken aan het werk van Constant, New Babylon .
• KO: heel prettig dat je dat ziet; in het boek komt het overigens niet voor, bij lezingen gebruik ik bijna altijd afbeeldingen ervan. Daar zit een sociale agenda achter waar ik me erg mee verwant voel.
• MP:; even los daarvan, als we kijken naar bv. ruimtebeslag, het nomadisch gedrag: die waarden kun je toch eigenlijk naadloos naar het heden trekken?
• KO: Constant kende ik wel; we zijn op zijn atelier geweest; hij is een schilder pur sang, hij wilde over New Babylon niet meer praten. De schilderijen in het Gemeentemuseum in Den Haag zijn geweldig, eigenlijk beter dan de maquettes. Hij moest zijn gehele nieuwe wereld in 3d creëren, maar in de schilderijen (net al bij Mondriaan) is het een afspiegeling van de 3-dimensionale wereld, meer dan in de soms wat amateuristische maquettes. Dat was zijn vak niet, hij leerde het van Aldo van Eijck.
• MP: Als we kijken naar uw werk nu en het werk van Constant aan New Babylon: zitten daar overeenkomsten in?
• KO: ik denk dat wij veel verder gaan; Constant kwam in zijn dynamische constellaties niet substantieel verder dan schuivende panelen. Hij begreep ons werk ook niet, wij hebben hem tijdens een congres onze programmeerbare ruimtes laten zien. Hij reageerde daar negatief op, hij kon het niet volgen; hij begreep de dynamiek niet,
• MP: hij kon het niet over de techniek heen tillen?
• KO: nee; inderdaad.
• MP: toch vreemd; hij baseerde zijn werk op Huizinga's Homo Ludens: de verbeeldingscomponent is dan toch het belangrijkste.?
• KO: ja, maar hij kon het digitale materiaal niet doorzien. Het was voor hem geen materiaal, terwijl het dat voor ons bij uitstek wel is.
• MP: techniek is een middel om iets te bereiken, niet een middel op zich.
• KO: als het over techniek gaat weet ik hoe je die kunt manipuleren. Ook met digitale middelen kun je een controle-maatschappij bouwen, net als met bakstenen.
• MP: bent u bekend met het werk van Usman Haque, bv. zijn Reconfigurable House , waarbij met elementaire middelen een omgeving kan worden beïnvloedt?
• KO: (terwijl we op het grote beeldscherm naar het werk kijken) nee; volgens mij is hij niet geïnteresseerd in architectuur, dit is zo '60-ties. Dat is het verschil: mij interesseert die architectuur die de interactieve installaties overeind houdt nu juist wel.
• MP: u bent natuurlijk bekend met het werk van Daan Roosegaarde?
• KO: ja; hij heeft zich goed gefocust; hij gebruikt op een basic- niveau interactiviteit voor zijn installaties. Hij maakt mooi werk, doet dat op een poëtische manier.
• MP: in het boek staat: "the building is constantly refigurable" (preface, pag.009) , in een artikel in de Witte Raaf van Bart Verschaffel staat, meen ik; het huis krijgt een IP-adres.
• KO: ja; dan zou ik zeggen: doe er meteen een paar duizend, anders krijg je geen netwerk van dingen die met elkaar communiceren. Alles moet adresseerbaar zijn.
• MP: hoe past de mens, de bewoner daarin? Uiteindelijk beschouwen wij ons huis nog steeds als een bescherm(en)de omgeving.
• KO: voor allerlei sites etc. hebben we passwords nodig; je kunt dus honderden connecties maken, terwijl je voor je huis er maar 1 nodig hebt, nl. je sleutelbos. Het zijn allemaal unieke toegangen tot een domein; als ik mijn thermostaat wil herprogrammeren kom ik daar ook niet zomaar bij. De realiteit is echter dat we zo langzamerhand niet één enkel domein meer hebben, maar duizenden.
• MP: dus, daar waar het gaat over privacy, bepalen we die aan de hand van tijd en plaats?
• KO: ja, domeinen zijn niet plaatsgebonden: het is steeds een van de vele mogelijke domeinen waarin je je op een bepaald moment begeeft. Dat is met Facebook etc. het zelfde: we hebben meerdere identiteiten waarin we ons redelijk moeiteloos aanpassen. Het is connectiviteit; je navigeert door een veelheid van mogelijke werelden.
• MP: dat gaat er van uit dat we ons kunnen terugtrekken achter onze voordeur.
• KO: vergelijk het met een wandeling in een mooi bos: er is zoveel informatie in zo' n bos; je hoeft echter niet alles te weten maar je kunt het wel ervaren, en je kunt een bepaald deel afsluiten voor eigen privé-gebruik
• MP: is er een verschuiving van publiek en privaat domein?
• KO: ja, dat denk ik. De studentenorganisatie Indesem wijdt daar binnenkort op de TU-Delft een themaweek aan: publiek wordt privé en privé wordt publiek. We vermengen oude gedaantes, we kiezen meervoudige gelaagde settings.
• MP: hoe zou de interactie zich manifesteren binnen de woonomgeving?
• KO: op heel veel niveau's; via je smartphone ben je al onderdeel van groepen; via andere apparaten ben je onderdeel van andere groepen, op een andere plek: een cafe, Schiphol, kantoor. Dat kan ook in huis, wat daarvoor niet kon. Vroeger ervoeren we de telefoon als een inbreuk op onze privacy: het is een kwestie van evolutie. Alles is vloeibaarder geworden, minder bepaald door fysieke muren.
• MP: als je ziet hoeveel moeite we al hebben met de invoering van een slimme energiemeter.........
• KO: ja, dat wordt ook tijd; ik wil niks anders. Ik zou willen dat alle huizen producenten van energie zijn. Gooi ze in een netwerk en je hebt geen energiecentrale meer nodig. Je moet dan wel in twee richtingen kunnen denken.
• MP: dat gaat voorbij aan het privacy aspect, zoals de Univ.Tilburg concludeerde.
• KO: dat is een achterhaald idee; zonder verbindingen, zonder 'brains' ben je niks. Dat oude idee van privacy hoort niet bij ons. Men is bang dat het eenrichtingsverkeer is; dan is het druk die wordt uitgeoefend en inbreuk pleegt op je privacy. Als het in een robuust netwerk in tweerichtingsverkeer aan elkaar wordt geknoopt, dan kan het niet meer stuk, net als het internet.
• MP: in uw boek staat een verwijzing naar "the Tschumi's, Coop's, OMA's ,"they are not willing to loosen the strings to the traditional building industry as they have always relied on stylish catalogue products for the majority of their building components." (pag.030)
• KO: ja; kijk naar bv. een gebouw van Gehry; je ziet cladding maar als je dichterbij komt zie je een traditionele ingang. Dat is storend; zij zitten vast aan oude paradigma´s, accepteren geen vernieuwing. Vergelijk het met de schilder Constant; bepaalde nieuwe ontwikkelingen gingen er bij hem eenvoudigweg niet meer in. Ik zie dat als een generatieprobleem.
• MP: een andere interessante opmerking: "my objective is to always make sure that iA (Interactive Architecture) is perceived as beautiful, that it not be experienced as merely a technical achievement" (pag.123)
• KO: zie Usman Haque; daar zie je een technische installatie; die wil ik helemaal niet zien.
• MP: dus een zekere poëtische vorm is er niet vreemd aan?
• KO: nee, in het geheel niet, maar het moet wel van binnenuit komen.
• MP: Het moet wel een integraal onderdeel van het eindresultaat vormen?
• KO: ja, en dat is niet eenvoudig te bereiken.
• MP: raak je op die manier voorbij aan de architectuur? In de standaarddefinitie daarvan?
• KO: in de standaarddefinitie zie je een verschil tussen architectuur en bouwen. Het gaat nu over een nieuw soort bouwen; over je houding ten opzichte daarvan. Architectuur is volgens mij niet anders dan het denken over bouwen; het is de relatie van ons denken met het fysieke. Die is niet anders dan die met het interactieve; de intelligentie moet in het materiaal zitten. Het resulteert in een fysiek product, net als jezelf met je eigen lichaam in een ecologisch netwerk functioneert en alleen in dat geheel kunt functioneren.
• MP: zou je kunnen zeggen dat de grens tussen architectuur en niet-architectuur vervaagt?
• KO: ja, dat zou je heel goed kunnen zeggen; ik zie geen principieel verschil tussen een groot kunstproject en een groot architectonisch project. Het zijn andere parameters,andere randvoorwaarden; (zie de beschutting waar we het eerder over hadden), zolang dat maar dynamische koppelingen blijven. Dat heeft veel met ons zelf te maken; Ilona (Lénárd, partner KO; MP) is beeldend kunstenaar; de manier van denken is ons wederzijds bekend. Ik wil liever dan een beperkte consultancy opdracht de volle eindverantwoordelijkheid, zoals een beeldend kunstenaar die heeft; dat alles op basis van vertrouwen. Als ik een opdracht krijg voor een kunstwerk is het geformuleerd op een A4-tje, als het een gebouw is wordt een dik pak papier; ofwel gebaseerd op wantrouwen. Dat kan veel directer; de architect moet meer verantwoordelijkheid naar zichzelf toetrekken: we moeten een product aanbieden. Het heeft eveneens te maken met hoe we gebouwen in elkaar zetten;met duizenden verschillende producenten. In mijn eigen bureau daar integen beperken het aantal details enorm; het is uiteindelijk eén complex parametrisch detail: 'one building, one detail'. In de traditionele bouw kan dat niet; daar zijn teveel spelers, teveel details die met elkaar clashen.
• MP: wat zou de rol van de interieurarchitect moeten of kunnen zijn?
• KO: dat is voor mij geen afgebakend vakgebied: waar het voor mij om gaat is dat de samenwerking goed word gedefinieerd en ieder dat toelaat en zich houdt aan de spelregels.
• MP: toch denken veel interieurarchitecten van binnenuit; juist daar waar het gaat over die beleving, privacy, zou er voor de interieurarchitect een belangrijker rol moeten zijn weggelegd als het gaat over acceptatie.
• KO: ik ga uit van 'collaborative design in real time' ; of te wel je werkt samen vanaf het allereerste begin en je doorleeft het project met elkaar van begin tot eind
• MP: heeft u het gevoel dat de gemiddelde interieurarchitect in een proces als dit inderdaad parallel loopt?
• KO: die situatie heb ik nog niet meegemaakt; ik weet hoe ik het zou willen hebben. Wat ik graag wil is sterke ideeën van anderen; feedback op tijd, in het vroegste stadium van het ontwerp. Als je een echte samenwerking wilt, moet je dat vanaf het prilste begin doen.
• MP; in het boek ligt de nadruk op het proces van bouwen; als je dat tegenover de beleving stelt?
• KO: dit proces van eenvoudige doch strikte regels levert een rijke complexiteit op, per definitie wordt dit door velen gewaardeerd. De paradigmaverschuiving is dat je je de interne logica eigen moet maken.
• MP: dank voor dit gesprek.
Dit interview staat tevens in verkorte vorm in BNI´s INTERN, nr. 2011/2
nog geen reacties
renovatie Rotterdamse Schouwburg 17-01-2011
De beklede kist
Op zaterdag 2 oktober j.l. vond de officiele opening plaats van de vernieuwde Rotterdamse Schouwburg; een opening waar door velen, m.n. in ons vakgebied, met de nodige spanning naar werd uitgekeken.
In de volksmond werd de schouwburg de 'kist van Quist' genoemd; in een recent artikel in de Volkskrant (30-9-2010, pag 55) werd zelfs de benaming ' vrieskist' gebruikt.
Voor de verbouwing werd een vooraanstaand scenograaf - Jan Versweyveld - verkozen boven een interieurarchitect: zou een 'decorontwerper' in staat zijn de Rotterdamse Schouwburg een nieuw gezicht te geven; heeft een ontwerper uit een dergelijke andere discipline niet een ander beeld van wat een interieur is; hoe verhoudt dit zich tot de karakteristieke, functionele architectuur die de gebouwen van Wim Quist zo kenmerkt.
Kortom; vele vragen die een interview met directeur Jan Zoet waard zijn. Maar eerst enige historie en achtergrond:
Lees verder... nog geen reacties
Woontechnologie, een verdeling in drieen (voor DomoZine 2010/35) 07-04-2010
Het was medio 2008; het begrip ' woontechnologie' - en de daarmee bij vlagen samenhangende problemen - werd weer eens actueel en pijnlijk duidelijk:
Elektriciteitsbedrijf NUON stelde voor iedere woning te voorzien van een z.g. slimme meter; kortom: een meter die het verbruik automatisch registreert en de standen gedetailleerd via internet doorgeeft.
Lees verder...
Installaties (voor BNI-INTERN 5-2009) 22-10-2009
Toen op 31 januari 1977 in Parijs het Centre Georges Pompidou - ontworpen door Renzo Piano en Richard Rogers - werd geopend stelde de New York Times: it turned the architectural world upside down.
Alle installaties werden aan de buitenzijde geplaatst; elk in een aparte kleur, vastgesteld per functie.
Zodoende bleven tentoonstellingsruimtes vrij beschikbaar en indeelbaar, zonder de belemmeringen van aan- en afvoeren, leidingen en overige installaties.
Lees verder...
Shelter (voor SYNC.NL, 2009) 23-06-2009
SHELTER
Sedert decennia staat in mijn boekenkast het grootformaat ' Shelter' , een Amerikaanse uitgave van Shelter Publications uit 1973.1
Het boek bevat een schat aan, grotendeels zwartwit foto' s, tekeningen, schetsen etc. vanuit de gehele wereld die allen een ding gemeen hebben: hoe leeft de mens, hoe bouwt de mens, zichzelf een onderkomen, een ´shelter´ .
Lees verder... nog geen reacties
Wanden (voor BNI-INTERN 2-2009) 20-04-2009
In een prachtig essay van 70 pagina's geeft de Japanse schrijver Junichiro Tanizaki een poetisch beeld van o.a. het huis, bezien vanuit de Japanse esthetica:
Lees verder... nog geen reacties
Domotica; domus en/of techniek (voor BNI-INTERN 6-2008) 15-09-2008
Op 9 april van dit jaar vond het Congres Domotica en Slim Wonen plaats in Eindhoven: op uitnodiging van de organiserende Stichting Smart Homes(1) was ik aanwezig als lid van een discussiepanel. Tussen de lezingen door werd gedurende een uur, mede aan de hand van enkele stellingen, gediscussieerd over nut en noodzaak van domotica.
Lees verder...
|
|
· Hybrid living
· Publicaties/Publications
· Weblog
|